Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En op zijn teentjes sloop hij dra

zijn donkren schuilhoek uit

En naar den reus; dien trok hij vlug

de laarzen van het been; —

Die tooverlaarzen — 't was wel vreemd!

die pasten groot en kleen.

Klein-duimpje trok de laarzen aan,

en riep zijn broertjes toe:

„Geeft mij en aan malka&r een hand,

en dan naar v& en moê."

Toen stoven zij in snelle vaart

recht aan op de oude kluis,

En kwamen dra gezond en wel

bij v& en moeder thuis.

Toen was het feest in de oude hut

voor de ouders en hun kroost;

En dan die gouden kroontjes! ja,

die gaven dubbel troost.

Klein-duimpje zei: „mijn ouderslief,

nu zult ge 'reis wat zien!

'k Zal maken dat ik iedre week

het huishoügeld verdien."

En ons Klein-duimpje ging naar 't hof,

daar werd hij aangesteld

Tot 's Konings vleugel-adjudant,

en kreeg een beurs vol geld;

Want met zijn tooverlaarzen aan

bracht hij nu vliegensvlug

De hof-dépêches heen door 't land,

en was weer snel terug.

Hij had het best; — hij zorgde voor

zijn ouders trouw, de guit!

En leefde zoo nog jaren lang —

en nu is 't sprookjen uit.

Sluiten