Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daaglijks moest dat lieve meisje

naar den ingang van het bosch, — Waar zich een fontein in 't lommer

wegschool, half begroeid met mos, —

Om de zware kruik te vullen

bij den steenen waterbak,

Want de luie zuster zeide:

„Ik ben daarvoor veel te zwak."

Eens op zeekren morgen, toen weer

't ijvrig meisje aan de fontein

Water ving, dat in d' ontvangbak

nederstroomde, klaar en rein, —

Kwam een oud en kromgebogen

moedertje uit de beukenlaan ; 't Oudje, steunende op haar krukje,

kon van dorst niet verder gaan. „Och," — zoo vroeg het arme wijfje, —

„kindlief, laat me eens drinken, toe ? ,,'k Ben verschriklijk warm geworden,

en van 't loopen meer dan moê." — „Wel, mijn goede, bestje grootje!'

zet je hier dan even neer;

„Drink zooveel je hart zal lusten,

water is er toch nog meer."

En het meisje reikte vriendlijk

toen haar kruik aan de oude ziel, En die dronk zoo smaaklijk, dat men

wel kon zien, hoe 't haar beviel.

En nadat zij had gedronken

sprak zij : „Nu, dat doet me goed ! • „Maar 'k wil niet ondankbaar wezen,

al schijn ik een arme bloed.

„Kind, je hebt een mooi gezichtje,

en een hartje, teer en zacht,

Sluiten