Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Morgen-vroeg moet gij het water

eens gaan halen ; let dan goed

„Op dat oude vrouwtje, en geef haar

drinken, hoor ! in overvloed."

„Ik? — moet ik gaan waterhalen?"

snauwde de oudste dochter toen ;

„Met die zware kruik gaan sjouwen ?

bah ! dat is voor mij geen doen."

„Maar ik wil 't— beval de moeder,

boos dat de oudste tegensprak;

En den volgende' uchtend moest ze

dan ook naar den waterbak.

Toch nam zij de zware kruik niet,

wel de zilvren schenkkan meê,

En toen zij die vulde, zie: daar

naderde de Tooverfee,

Nu als een prinses zoo jeugdig,

en gekleed in blauw satijn,

Om te zien of de oudste dochter

ook onvriendlijk dan zou zijn.

„Kindlief, geef me een beetje drinken !

vroeg de fee, en trad nabij ;

Maar het stugge nufje bromde:

„Zeg, wat denk je wel van mij ?

,,'k Ben geen dienstmeid ; — wil je drinken .J

vang dan zelf het water maar,

„Dat 's heel onbeleefd gesproken!"

zei de Tooverfee tot haar; —

„En daarom, onvriendlijk meisje!

zal geheel je leven lang,

„Als je spreekt, je mond zich vullen

met een padde of met een slang.

Toen nu 't meisje thuis kwam, vroeg haar

moeder : „Wel, hoe is t gegaan

Sluiten