Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Hoe 't gegaan is?" — zei ze snibbig, —

,,neen, 't is niet om uit te staan!"

En er kwamen bij die woorden

eerst een slang en toen een pad.

„Kind! wat deert je?" — riep de moeder;

„O, afschuwelijk! — Wat is dat?

„Dat 's de schuld, mijn arme dochter!

van je zuster; — wacht, ik zal „Haar eens leeren mij bedriegen!" —

En zij zocht haar overal;

Doch de jongste vluchtte haastig

voor haar moeder naar het bosch,

En daar viel zij bitter schreiend,

angstig snikkend op het mos.

Zoo vond haar de zoon des Konings,

wederkeerend van de jacht;

„Waarom ween je, lieve meisje?"

vroeg de Prins meêwarig zacht. „Och, mijnheer! 'k ben voor mijn moeder

uit ons huis en dorp gevlucht,

„Want mijn zuster .... 't is verschriklijk!"

klaagde zij met diepen zucht;

En vertelde, 't oog vol tranen,

wat haar overkomen was,

En toen vielen weer juweelen

en weer rozen op het gras.

„Diamanten!" — riep de kroonprins;

en bewondrend keek hij naar 't Meisje met die hemelsche oogen

en dat golvend, goudblond haar.

,*Neen, er is in heel de wereld

geen prinses zoo mooi als zij Dacht hij. — „Stil maar, lieve meisje!

ween niet meer — kom meê met mij." —

Sluiten