Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ROODKAPJE.

Er was ereis een aardig meisje,

zoo om en bij de zeven jaar;

Dol veel hield moeder van haar liefje,

en grootmoê was recht mal met haar. Die goede vrouw,' al grijs van haren,

schonk aan de kleine krullebol Met Sint-Niklaas een sierlijk kapje,

geweven van vuurroode wol,

Dat haar zoo goed stond, dat een ieder,

die 't meisje tegenkwam op straat,

Haar schertsende „Roodkapje" noemde,

en dat klonk grappig inderdaad. — Eens bakte moeder lekkre wafels, —

zij had er suiker opgedaan, —

En zei ze lachend tot Roodkapje:

,,Je moest ereis naar grootmoê gaan, ,,En hooren hoe zij vaart; — je weet wel

dat grootje zieklijk is en oud;

„Neem dus dit bord met wafels mede, —

waar 't lieve mensch zooveel van houdt, ,,En ook dit potje malsche boter." —

En ons Roodkapje ging terstond,

Want grootmoê woonde nog veel verder

dan waar de watermolen stond.

8

Sluiten