Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen nu ons aardig, vlug Roodkapje

in 't groote bosch gekomen was,

Ontmoette zij een wolf bij 't kruispad,

die zachtkens voortsloop over 't gras.

Hij had wel zin haar op te happen,

maar waagde 't niet, want dichtebij

Weerklonk de bijlslag van de klovers; —

hij liep dus stil het meisje op zij En vroeg: „Waar ga je heen, Roodkapje?" —

't Onnoozel meisje, dat niet wist

Hoe erg 'gevaarlijk 't was te luistren

naar zulk een dier, vol booze list,

Gaf hem ten antwoord: ,,'k Ga voor mijn moeder

eens naar mijn goede grootemoê,

,,En deze wafeltjes haar brengen

met nog dit potje boter toe." — „Wel," — vroeg de wolf weer — „woont zij ver nog?" —

„Ja," — sprak Roodkapje — „aan genen kant

„In het laatste huisje van 't dorp." —

„Zoo," — zei toen loos de valsche kwant,

„Kom, 'k ga dan ook eens naar haar kijken;

ik dezen weg, en gij langs dien,

„En wie er nu het eerst zal wezen

dat zullen we om de grap eens zien." —

De wolf liep al wat hij kon loopen,

altijd maar door, het kortste pad;

Maar ons Roodkapje ging het langste,

en treuzelde onderweg nog wat.

Zij zocht naar bruine beukenootjes,

en joeg de bonte vlinders na,

En plukte een ruiker wilde bloemen,

en zoo vervloog de tijd weldra. —

De wolf kwam spoedig aan de woning

van Grootje, en klopte: klop, klop, klop! —

Sluiten