Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wie is daar?" — „Ik, ik ben 't, Roodkapje; —

gaf daar de wolf ten antwoord op; „En hij vervolgde — meer zijn stem nog

verandrend: „Compliment van moê,

„En hier zijn lekkre suikerwafels,

en nog een potje boter toe." — „Wel, kind! trek dan maar aan het touwtje,

dan gaat de klink van zelf omhoog."

Dat deed de wolf — de deur ging open,

en 't uitgehongerd roofdier vloog Met éénen sprong naar 't kreunend oudje,

dat ziek te bed lag — en verslond Arm Grootje, die van schrik haar snuifdoos

had laten vallen op den grond.

Toen sloot de wolf de deur weer; zette

de nachtmuts op der arme vrouw, En kroop in bed, en bleef zoo wachten

of haast Roodkapje komen zou. —

Een uurtje later kwam Roodkapje

aan 't huisje en klopte: klop, klop,klop!— „Wie is daar?" — 't Was om bang te worden!

Zij gaf er eerst geen antwoord op; Die grove stem deed erg haar schrikken,

maar „Grootmoê zal verkouden zijn," — Zoo dacht ze, — „en is vast schor geworden,"

haar keel en borst doen zeker pijn." — En 't kind riep dus: „Ik ben 't, Roodkapje;

en, Grootmoê ! Compliment van moê

„En hier zijn lekkre suikerwafels,

en nog een potje boter toe." — „Wel kind! trek dan maar aan het touwtje,

dan gaat de klink van zelf omhoog." Zij trok — de kleine deur viel open,

en 't zorgeloos Roodkapje toog

Sluiten