Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

f

„Mijn kok kan heerlijk koken,

geen kok die 't beter kan.

„En hebt ge soms vriendinnen,

die mede willen gaan, „Of vrienden, — wel: mijn woning

zal voor hen openstaan." —

't Verzoek werd aangenomen.

Nu ging geen dag voorbij,

Of in het hdis van Blauwbaard

was 't feest en danspartij.

Men at en dronk en speelde,

en had verbazend pret;

Laat kwam men uit de veeren,

laat ging men eerst naar bed.

En toen dat vroolijk leven,

dat rijden door de buurt,

Dat wandelen en varen

een tijdje had geduurd, —

Toen dacht de jongste dochter,

als zij naast Blauwbaard stond

„Hij is toch niet zoo leelijk,

als ik hem vroeger vond."

En eindlijk, omdat Blauwbaard

heel vriendlijk voor haar was, Zou zij maar met hem trouwen —

en 't huwlijk volgde ras. —

Niet lang daarna zei Blauwbaard:

„Mijn lieve! tot mijn spijt

„Moet ik u gaan verlaten,

en wel voor langen tijd,

„Ten minste voor zes weken; —

ik vind dat zelf heel naar, „Maar 'k moet op reis voor zaken;

dus, vrouwlief! troost je maar,

Sluiten