Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij wisten toch dat Blauwbaard Hoe prettig! want ze waren

Nu kon men vrij door kamers,

Rondloopen, en er kijken

Van parelen en zilver,

Die Blauwbaard in zijn kasten

Zooals geen ander ridder,

„Hoe prachtig! o hoe heerlijk

Zoo riepen de vriendinnen,

Ze waren zelfs een beetje Maar zij was zoo nieuwsgierig In 't kleine kabinetje,

Dat ze onverschillig rondkeek, En meer en meer gedreven Vergat wat Blauwbaard ernstig Zij kon zich niet bedwingen —

En sloop een donkren trap af

voor lang afwezig was.

voor hem nog altijd bang!

door zaal, salon en gang

naar al de kostbaarheên

van goud en edelsteen,

bewaarde; — 't was een schat

geen koning zelfs bezat.

en kijk: hier is nog meer!"

en juichten keer op keer.

jaloersch op Blauwbaards vrouw

naar 't geen er wezen zou

aan 't eind der galerij,

de schatten liep voorbij,

door haar nieuwsgierigheid,

en dreigend had gezeid.

't gezelschap liet ze alleen;

naar 't kabinetje heen.

Sluiten