Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geroerd dan 't hart van Blauwbaard;

al knielde ze op den grond, Toch riep hij: „Gij moet sterven,"

ja, sterven hier, terstond." — „Ach, als 'k dan toch moet sterven,

— kreet ze in verslagenheid, —

„Vergun mij dan, dat ik er

mij eerst op voorbereid."

,/k Geef u een half kwartiertje;"

zei Blauwbaard, en ging heen;

Maar nauw was hij vertrokken

en de arme vrouw alleen,

Of snel riep zij haar zuster:

„Och, Anna! Annalief!

„Klim haastig op den toren,

en kijk eens, alsjeblief!

„Of gij niet onze broeders

ziet komen, want ik wacht

„Vandaag hen op visite —

Och, Anna! geef toch acht;

„En als gij hen ziet naadren,

o, wenk hen dan tot spoed,

„Want enkel kan mij redden

hun dapperheid en moed." —

Haar zuster klom naar boven,

ze hield haar zakdoek klaar,

En telkens van beneden

riep de arme vrouw tot haar:

„O Anna! Zuster Anna!

Wat naakt er in 't verschiet?

„Ach, ziet ge nog niets komen?

Zijn 't onze broeders niet ?" — ,,'k Zie niets'' — was 't wederantwoord —

„dan 't stof in 't licht der zon,

Sluiten