Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„En 't dwarlen van de blaren,

rondom de gindsche bron" —

Intusschen wachtte Blauwbaard

beneden aan de trap; „Kom hier of 'k klim naar boven!"

Zoo riep hij; en zijn stap

Klonk reeds op de eerste trede;

toen smeekte zij: „och, Heer! „Nog maar een paar minuutjes!" —

En dan tot zuster weer:

„O Anna! Zuster Anna!

Ziet ge onze broeders niet?

„Ziet ge dan nog niets komen?

Och, zeg me wat ge ziet?" — „ k Zie niets" — was weer het antwoord, —

„dan 't stof in 't licht der zon,

„En 't dwarlen van de blaren,

daar ginder om de bron." „Mevrouw!" — riep Blauwbaard nogmaals, —•

„kom hier — ik wacht niet meer „Ik kom al;" — riep zij haastig;

maar fluistrend vroeg zij weer:

„Ach Anna! Zuster Anna!

ik wacht nu al zoo lang,

„Ach, ziet ge nog niets komen?

ik word zoo bang, zoo bang! — „Een stofwolk" — riep de zuster, —

„stijgt opwaarts van den grond

„Maar 't is een kudde schapen,

een herder en zijn hond." — „Waar blijf je?" schreeuwde Blauwbaard

nu voor den derden keer. —

„Och, nog één oogenblikje!" —

Zoo bad ze; en toen alweer :

Sluiten