Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ach Anna! zuster Anna!

ach, ziet ge nog al niets?"

()Ja, — klonk het van den toren, — '

nu zie ik eindlijk iets.

„Ik zie twee vlugge ruiters;

o, zusterlief, houd moed!

„Want: ha! 't zijn onze broeders,

zij naderen met spoed." —

Nu klonk de stem van Blauwbaard

zoo vreeslijk door 't gebouw,

Dat zij, onmooglijk langer

dorst wachten, de arme vrouw!

Zij ging dan naar beneden,

en snikte en weende luid; —

„Dat helpt je niets", — zei Blauwbaard, —

„want mijn geduld is uit

En reeds greep hij zijn vrouwtje,

die op haar knieën zonk, —

Toen plotseling op de poortdeur

een zware bons weerklonk,

De deur werd opgeloopen

in 't eigen oogenblik,

Twee riddders stormden binnen;

en Blauwbaard, bleek van schrik,

Herkende hen: het Waren

de broeders van zijn vrouw;

Dat bracht opeens den wreedaard

geweldig in het nauw.

Hij wilde haastig vluchten;

maar 't baatte hem niet meer;

Getroffen door hun degens,

viel Blauwbaard dood ter neer.

De dappre broeders ijlden

nu naar hun zuster voort;

Sluiten