Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen hij nu zoo klaagde en morde,

keek de poes hem ernstig aan, En op eens — maar 't was onmooglijk!

had hij dat wel goed verstaan? —

Zeker wel, het was zijn poesje,

dat hem aansprak: — ,,Meesterlief!' Zei ze, — „wees niet zoo mistroostig;

ben 'k u zoo tot ongerief? „Nu, niet lang zult gij dat zeggen;

laat voor mij — gij zult eens zien

„Een paar mooie laarsjes maken,

en een knapzak bovendien; „Dan zal ik mijn kunst u toonen,

en gij zult nog zeggen, dat

„Gij er overbest meê af zijt,

dat ge mij tot erfdeel hadt."

De arme moolnaarszoon begreep niet,

wat de poes bedoelde; maar

Toch liet hij zich overhalen.

En de jonkman kocht voor haar

Eerst een paar verlakte laarsjes,

die zij aantrok flink en vlug,

Toen een linnen zak met banden,

en dien hing zij op haar rug.

Op haar achterpooten stapte

zij nu heel parmantig voort

Naar de duinen; want ons poesje

had wel menigmaal gehoord,

Dat daar veel konijnen waren.

Voor een pas gegraven gat

Spreidde zij den zak wijd open,

en zij zelf, de slimme kat,

School toen weg in 't gele bremkruid,

en het duurde niet heel lang

Sluiten