Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Of daar kwam een grijs konijntje

neuzen uit zijn donkren gang,

En begon — de poes had wijslijk

peentjes in den zak gedaan, —

Aan die worteltjes te smullen.

Poesje zag dat loerend aan,

En op eens trok zij de banden

van den zak toe. — Lieve tijd! 't Arm konijntje hielp geen schreeuwen,

't was voor goed zijn leven kwijt. Met haar vangst liep poesje daadlijk

in triomf de velden door,

Naar de stad, naar 't hof des Konings,

en daar vroeg zij om gehoor.

Zijne Majesteit, nieuwsgierig

waarom een gelaarsde kat Met een knapzak, hem moest spreken,

en wat zij te zeggen had, —

Liet haar in de troonzaal komen.

Poesje boog en zei alras:

„Sire, uit naam van mijnen meester,

den Markies van Carabas,

„Heb ik de eer u aan te bieden,

dit zeer malsch en jong konijn. „Zoo u 't aanneemt, zal mijn meester

daarvoor hoogst erkentlijk zijn." ,,'t Is heel vriendlijk van uw meester,"

zei de Koning; ,,'k dank hem wel.' Buigend ging ons poesje henen —

half gewonnen was haar spel. —

Een paar dagen later stapte

kattepoes naar 't korenland;

Daar lei zij haar knapzak naast zich

bij een greppel op den kant,

Sluiten