Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En zij zelf ging liggen snorken

of zij sliep, heel vast en zwaar;

Maar toch waakte 't looze katje:

„Stil," zoo dacht ze, ,,houd je klaar,

„Want daar komen twee patrijsjes

gluren uit het hooge graan „Naar de gerst, die 'k in mijn zakje

tot een lokaas heb gedaan." —

't Paartje kwam al na en nader,

en ze pikten; maar — pardoes!

Beiden voelden zich gevangen

in den zak van kattepoes.

't Ging hun even als 't konijntje.

Met haar nieuwen vangst belaéln Trok de poes weer naar den Koning,

en bood hem de vogels aan.

Zijne Majesteit was wel zoo

vriendlijk nog als d' eersten keer,

Ja, hij gaf zelfs poes een fooitje,

en — dat schonk zij aan haar heer. Zoo nu deed zij twee, drie maanden;

telkens bracht ons poesjenel Heerlijk wildbraad bij den Koning,

en 't heette altijd op bevel Van haar hoogen heer en meester,

den Markies van Carabas,

En de fooitjes — nu, die kwamen

d' armen jongen goed van pas.

Toen nu poes op zeekren morgen

van des Konings hofportier

Had vernomen, dat de Koning,

met zijn dochter, voor pleizier Op dien dag wat zou gaan toeren

in de nieuw vergulde koets,

Sluiten