Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat, terwijl haar meester baadde,

er een dief gekomen was,

Die zijn mooie bovenkleeren

weggenomen had van 't gras.

„Wel, dat is zeer ongelukkig!" —

Sprak de vorst; — „dat doet me leed." —

Hij beval terstond een dienaar

in 't paleis het rijkste kleed

Voor den heer Markies te halen,

— die het aantrok, vlug en snel,

En de schitterende kleeding

stond den jonkman wonderwel.

„Heer Markies, kom bij ons zitten;"

zoo sprak hem de Koning aan,

,,'k Zal u naar uw woning brengen.

Is die hier nog ver van daan?" —

Poes, die merkte dat haar meester

bloosde van verlegenheid,

Nam het woord op, en ze zeide:

„Haast een uur, Uw Majesteit!

,,'k Zal vooruit gaan, en uw aankomst

melden." — Onze moolnaarszoon

Weifelde in de koets te stappen,

zoo iets was hij niet gewoon.

Maar toen poesje hem een wenk gaf,

steeg hij toch in de kales,

En daar zat hij nu zeer deftig

over Koning en Prinses ,,'k Dien" — dacht poes, — „nu wel te zorgen,

dat het verder goed blijft gaan,

„Of mijn ijver brengt mijn meester

nog maar weinig voordeel aan."

Dapper stapte daarop poesje

voor het rijtuig uit, en was

Sluiten