Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat ook deze maaiers schrikten,

bij die woorden van de kat! Was het ook wel wonder dat men

vrees voor zoo'n bedreiging had? Toen de Koning dus al spoedig ■»

vroeg: van wien dat koren was?

Riepen snel ook deze maaiers:

„Van Markies van Carabas!" —

En de Koning stond verwonderd,

dat Markies van Carabas

Zulk een rijke grondbezitter,

zoo'n aanzienlijk heerschap was. ,,'k Maak u duizend complimenten;"

zei de vorst op blijden toon;

En 't prinsesje lachte vriendlijk

tot den armen moolnaarszoon. —

Eindlijk was de poes gekomen

bij een prachtig, groot kasteel,

Sterk van torens en van transen

met een valbrug en rondeel.

In dat trotsch kasteel daar woonde

een gevreesde toovenaar,

Barsch van uitzicht, boos van harte,

met een stem, geducht en zwaar.

Kattepoes vroeg hem te spreken,

gauw streek zij haar knevels glad,

En nu stapte zij de zaal in

waar hij in zijn leunstoel zat. — „Machtig heer! uw dienaresse," —

zei ze tot den toovenaar;

,,'k Bied aan u oprecht mijn hulde,

al is ook de helft slechts waar

„Van hetgeen men mij verhaalde

van uw kunst Gestrenge Heer!" —

Sluiten