Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„En, wat hebt ge dan vernomen?"

Vroeg de toovnaar. — Poesje weer: „Dat ge u plotseling kunt verandren

in een leeuw of in een muis;

„Maar ik denk: wie 't mij vertelde,

jokte dat of had abuis."

„Stellig niet, het is de waarheid;"

zei nu fier de toovenaar;

„ k Wil mijn kunst u wel eens toonen,

let goed op; 'k ben aanstonds klaar." En op eens, daar was de toovnaar

een verschriklijk groote leeuw!

Hu! het was• om bang te worden;

poes ten minste gaf een schreeuw, En ze vloog naar t eind der eetzaal

met een vliegensvlugge vaart,

Want de leeuw begon te brullen

en te zwaaien met zijn staart. —

Toen de toovnaar de gedaante

van een mensch hernomen had,

Kwam de poes weer uit haar schuilhoek,

en ze zei, de slimme kat:

„ k Was daar haast van schrik gestorven,

maar ik twijfel toch met recht,

ge nu een muis kunt worden,

zoo als ook al wordt gezegd." Stuursch en brommend zei de toovnaar:

„Twijfelt gij daar nu nog aan?

„Opgelet dan: k heb dit kunstje

u nog gauwer voorgedaan."

En wat piepte daar ? — Een muisje

was op eens de toovenaar....

Flap! — één sprong — poes greep de muis en

at haar op met huid en haar.

Sluiten