Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dan ben je opeens je rijkdom kwijt,

en Asschepoester als weleer." —

,,'k Ben vast terug vóór 't twaalf slaat,"

— zei 't meisje, — „beste Petemoê!" — En, hup! daar wipte ze in de koets,

en reed naar 't hof des ltonings toe.

Wat boog men diep, toen in de zaal

die vreemde jonkvrouw binnentrad;

Geen dame droeg zoon prachtig kleed,

geen enkle die zoo'n kapsel had.

Haar zusters zelfs, ze negen voor

onze Asschepoester keer op keer,

En al de heeren van het hof

bewonderden haar evenzeer.

Ook kwam de kroonprins naar haar toe,

en vroeg haar hoffelijk ten dans,

En Asschepoester was op 't feest

het middelpunt van eer en glans.

Dat bal! — die avond! — 't leek een droom!

en de uren vloden vliegensvlug;

Maar t slaat kwartier voor twaalven, — hoor!

nu haastig dus naar huis terug.

Daai zat zij in haar jakje weer,

in 't hoekje van den haard bij de asch,

Alsof er niets met haar gebeurd,

niets vreemds haar overkomen was.

Stiaks kwamen ook haar zusters thuis,

en o! wat hadden die het drok Van 't vreemd prinsesje, dat precies

bij t slaan van middernacht vertrok.

En Asschepoester hoorde 't aan;

maar zweeg, al lachte ze in haar geest; Zij dacht: je moest eens weten, dat

ik dat prinsesje ben geweest! —

15

Sluiten