Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geen voetje, schoon men duwde en wrong,

kon 't wonderlijke schoentjen in. Zoo kwam de kroonprins met zijn stoet

ook bij de zusters. — „Dames," zei

De prins, „misschien gelukt het u."

Maar — 't muiltje paste geen van bei.

Daar zag hij in een hoekje van

de kamer Asschepoester staan, In t armlijk jakje cn heel bedeesd. —

„Kom, meisjelief! pas ook eens aan!" Zoo sprak de kroonprins, — en ofschoon

de zusters spotten, heimlijk kwaad,

Zij zat al neder op een stoel,

en 't muiltje past haar inderdaad!

Je kunt begrijpen hoe verstomd

men naar onze Asschepoester zag; En — hemeltje! daar haalt ze op eens

het rechter muiltje voor den dag, —

En plotseling veranderde

haar schameel kleed geheel en al, —

Zij is weer 't mooi prinsesje, dat

de koningin was van het bal. — Wat was de kroonprins in zijn schik!

Verdwenen was op eens zijn rouw;

En weinig weken na dien dag

werd Asschepoestertje zijn vrouw.

En zij vergaf uit heel haar hart

haar zusters 't doorgestane leed;

Doch wie zij 't meest in waarde hield,

dat was de Eee, haar goede Peet.

Sluiten