Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij peinsde, overlegde en bedacht zich veel maanden,

en zoo ging een jaar al heel spoedig voorbij ;

Maai tot een besluit was zij nog niet gekomen ;

zoo dwaalde zij eenzaam het bosch weer eens rond, Toen ze onder zich loopen en rammelen hoorde,

en vlak voor haar voeten op eenmaal de grond Zich opende. — Hoe zij verbaasd stond te kijken ! *

Daar zag zij een keuken vol koks en gebraad, Vol ovens en vuren, en potten en stapels

van borden, en knechten in sneeuwwit gewaad. Zij zongen al lustig bij 't koken en smooken,

en vijftig wel kwamen omhoog uit den grond, En gingen in 't bosch naar een opene ruimte,

en plaatsten er tafels en stoelen in 't rond; En maakten een feestdisch gereed, zoo uitlokkend,

zoo geurig, zoo vorstlijk, zoo keurig versierd, Dat onze prinses tot den hofmeester zeide:

„Mijnheer, welk een feest wordt er hier toch gevierd ?" „Wel, schoone prinses! Wel een bruiloft. De kroonprins,

Riket met de Kuif, die trouwt morgen: Hoezee!"

„Riket met de Kuif?" — Hoe 't prinsesje toen schrikte!

,,o Hemeltje!' — dacht ze, — ,,dat valt me niet meê! „Ik was die ontmoeting geheel al vergeten." —

Doch : wie komt daar aan ? 't Is de kleine Riket; Hij buigt en hij vraagt: Schoone Jonkvrouw, hoe vaart ge ?

Maar waarom zoo'n pruilend gezichtje gezet ? „Gij ziet toch hoe trouw ik mijn woord heb gehouden ;

op morgen is 't jaar van onze afspraak juist om, „Dan vieren wij bruiloft, dan wordt gij mijn vrouwtje,

want nu zijt gij stellig en vast niet meer dom." — „Och, prins!" — zei 't prinsesje, — „het is wel de waarheid:

toen 'k dom was beloofde ik te trouwen met u,

„Doch thans kan dat moeilijk, want: neem 't mij niet kwalijk, —

gij zijt toch zoo leelijk, — dat zie ik eerst nu." —

Sluiten