Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tot hem ging nu op zeekren morgen

de koning heen om raad en daad;

De toovnaar, 't hoofd omkranst met blaren,

en vreemd gekleed in wit gewaad,

Zat op een steenen outer neder,

daar opgericht in d'ouden tijd;

Een sikkel hield hij in de handen,

of hij moest maaien wijd en zijd.

De koning groette hem eerbiedig

en legde hem de zaken bloot,

En vroeg hem: „Wat moet ik beginnen?

Gij ziet: ik zit in zwaren nood.

„Ik zal u vorstelijk beloonen,

zoo gij voor mij een middel weet

,,0m weer mijn volk tevreê te stellen,

en mij te helpen in mijn leed."

„O," zei de toovnaar, — „dat 's gemaklijk!

Uw dochter, zoo bekoorlijk schoon,

„Wel, laat die met prins Podros trouwen,

dan hebt gij immers al een zoon." —

Die raad beviel den vorst; hij dankte

recht hartelijk den toovenaar,

En riep — in zijn paleis gekomen, —

de heeren Staten bij elkaar,

En sprak toen: „Vrienden! zet u neder,

en drinkt met mij een goed glas wijn;

„Mijn dochter zal prins Podros trouwen,

die zal dan troonopvolger zijn." —

De hovelingen klonken, dronken

en juichten om dat wijze plan;

Maar 't lief prinsesje keek niets vroolijk,

integendeel: zij schrikte er van.

Verbeeld je ook: die prins Prodos was wel

van vorstelijk en edel bloed,

Sluiten