Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Doch, o afschuwelijk wanstaltig,

en valsch en nijdig van gemoed. En met zoon slechtaard nu te trouwen,

Dat kon het braaf prinsesje niet; Waar moest zij steun en redding vinden ?

Zij schreide en snikte van verdriet. Toen viel 't haar in dat eens haar moeder

gezegd had: „Zoo ge, beste kind! „In leed mocht komen na mijn sterven,

dan is er iemand, die je mint „Zoo trouw als ik; dat, lieve dochter!

dat is je petemoei, de Fee „Der herfstseringen; dikwijls heeft zij

ook mij getroost bij ramp en wee. „Ga haar gerust uw lijden klagen;

zij zal u helpen, waar zij kan."

Die woorden had het meisje onthouden:

en nu beraamde zij het plan Om aan de Fee der herfstseringen

te gaan vertellen, wat haar hart Wel vreesde door 't besluit haars vaders,

en hulp te smeeken in haar smart. Des avonds wist zij weg te sluipen,

door niemand in 't paleis ontmoet; De maan scheen helder aan den hemel

en spiegelde in den kalmen vloed, En t zilverlicht wierp op de vensters,

op gevelspits en torentrans,

En op de bronzen bloemenvazen

een tooverachtig schoonen glans. De kroonprinses trad in de schaduw

der slingerplanten haastig voort, En daalde van de marmren trappen,

en kwam gelukkig ongestoord

Sluiten