Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Den allerknapsten kunstnaar komen,

bestelde hem 't verlangde kleed,

Doch voegde er bij: ,,het kost je 't leven

is 't niet nog dezen dag gereed."

En inderdaad, vóór de avond daalde,

Was 't wonderbare kleedjen af,

Door reiner zilverglans omgeven

dan ooit de maan te aanschouwen gaf.

De kroonprinses vond wel dat kleedje

verrukkend schoon, maar niettemin

Was zij opnieuw heel erg verlegen,

en won den raad der Fee weer in.

„Arm kind! ik moest me al zeer bedriegen,

begon de Fee, — „indien ik thans

Geen middel wist om u te helpen:

Verzoek een kleed met zonneglans;

„Dat" — ging ze voort, — „is niet te maken, —

hoeveel uw vader van je houdt,

„En dan zal hij niet kunnen vergen,

dat gij dien naren Podros trouwt.

De kroonprinses droeg aan den koning

dus weder haar verlangen voor;

En deze zei: „Welnu, mijn dochter!

Zoo'n kleed, gij zult het hebben, hoor!"

En al de paarlen en juweelen

en diamanten van de kroon,

Met al de fonklende robijnen,

en 't goud van scepter en van troon,

Dat stond hij af, de goede koning,

opdat het schitterende kleed

Voltooid mocht worden; — en het was ook

drie dagen later al gereed.

Daar had de kunstenaar eerst eer van!

Nog nooit zag iemand zoo'n japon!

Sluiten