Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eén licht en al werd heel de hofzaal, —

Dat kleed geleek volmaakt de zon! — Maar ach, de kroonprinses keek treurig',

zij boog het hoofdje naar den grond, En ging bedrukt weer naar haar kamer,

waar juist de Fee zich toen bevond. Beschaamd was die, dat ook dit middel

al weder vruchtloos was geweest; Nochtans kwam haar na kort bedenken

opnieuw een plannetje in den geest. "Mijn kind," — zoo zei ze, — ,,ons blijft niets over,

geen enkel middel dat meer baat, .,Dan één; maar dat zal zeker helpen —

volg dus nog eenmaal trouw mijn raad. „Uw vader zal er wel van opzien,

als gij de vreemde vraag hem doet, „Toch kan het wezenlijk niet anders,

mijn beste petekind! het moet.

„Verlang van hem het vel van d' ezel,

die voor het land een goudmijn is; „Dien wensch kan hij onmooglijk toestaan,

dat is wel zeker en gewis."

De kroonprinses vond dat uitmuntend,

zoo was ze opeens uit alle ellend; Zij keerde haastig naar haar vader

en maakte hem haar wensch bekend. Ofschoon de koning eerst wat boos keek,

toch gaf hij toe — 't was ongedacht! Gedood werd nog dien avond de ezel,

en 't vel bij de prinses gebracht. „Ach, nu is al mijn hoop vervlogen!"

Zoo brak zij los in luid geween; Gelukkig dat bij' 't raadloos meisje

terstond de Tooverfee verscheen.

Sluiten