Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hun daadlijk de prinses te zoeken,

en weer te brengen aan het hof,

W ant juist was 't feestmaal der verloving'

bereid, toen 't ongeval hem trof. Driehonderd ruiters snelden vliegend

op zijn bevel door 't gansche land,

En duizend van zijn keursoldaten

verspreidden zich naar eiken kant, Om t vluchtend meisje op te sporen;

maar vruchtloos was hun aller tocht, De Fee toch maakte haar onzichtbaar,

en 't was dus wel vergeefs gezocht. —

Intusschen wandelde ons prinsesje

al voort, — zij had noch rust noch duur; Alleen des nachts vond ze onderkomen

in de een of andre houten schuur. Zij kreeg ook hier en daar wel te eten

want elk had medelij met haar;

Doch om zoon mensch in huis te houden,

zoo vuil gekleed, was al te naar.

Op 't lest kwam ze aan een boerenhoeve,

dicht bij een vreemde, groote stad, Kn t was toevallig dat de huisvrouw

daar juist een dienstmaagd noodig had Voor 't ruwste en zwaarste werk: voor 't wasschen

van borden, schotels, pot en kan,

Voor t daaglijksch hoeden der kalkoenen,

het voederen van 't vee, en dan

Het zindlijk houden van de geiten

en schapen — 't was geen beetje, hoor! Zoo'n haveloos, onooglijk schepsel —

dacht de boerin, — is best daarvoor. Zij vroeg dus: „Wil je bij me dienen?" —

t Prinsesje, moê en mat van 't gaan,

19

Sluiten