Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Was blij dat ze onder dak kon komen,

en nam den voorslag dankbaar aan.

Nu werd haar in een hoek der keuken

een plaats gewezen; maar daar had

Zij veel van de overige booien

te lijden, als zij dronk of at.

Die ezelshuid, die vonden allen

heel vies, begrijplijk was dat wel;

En als ze tot haar spraken, noemden

de knechts haar altijd: „Ezelsvel."

Doch toen men zag hoe vlug zij boende

en schrobde, en alles deed met lust,

Toen hield men op met haar te plagen,

en liet haar voortaan maar met rust.

Zij hoedde dan ook trouw de schapen,

en hield de stallen frisch en schoon,

En paste op geiten en kalkoenen,

als was zij 't van der jeugd gewoon. —

Op zeekren dag dat ze aan den oever

van 't ruischend beekje nederzat,

Terwijl haar geitjes heerlijk smulden

aan heuvelkruid en klaverblad,

Nam zij een lammetje om te wasschen,

boog zich voorover naar de beek,

En schepte water in haar handje;

doch toen ze in 't helder nat zoo keek,

En daar haar beeld in zag weerspieglen,

toen schrikte zij er danig van.

„Dat roet op mijn gelaat en handen" —

sprak zij verlegen — „neen, dat kan

„Toch heusch niet blijven." — En 't prinsesje

begon zich in het koele nat

Eens lekkertjes en flink te wasschen,

en nam een frisch en heerlijk bad.

Sluiten