Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En door dat wasschen en dat plassen

werd haar gelaat weer rein en schoon, En blank haar handjes, en een blosje

vertoonde zich op elke koon.

En ons prinsesje groette en lachte

haar beeltenis in 't water toe, —

Zoo kende zij nu weer zich zelve,

en vroolijk was haar hart te moê. Doch de avond viel, de sterren kwamen,

en 't was dus tijd om heen te gaan, En zij was wel verplicht, och arme!

het ezelsvel weer om te slaan. Den andren dag — o vreugd! — was 't Zondag;

toen bleef zij in haar kamerkijn, En dacht: „van daag wil 'k voor mij zelve

toch weer eens een prinsesje zijn." En met den staf der Fee gewapend,

gaf zij drie slagen op den grond, En eensklaps stond het kistje voor haar,

waarin zich al haar moois bevond. Nu trok zij 't kleed met 's hemels kleuren

van donkerblauw en purper aan, En plaatste 't kroontjen op haar lokken,

dat blonk als 't zilverlicht der maan. „Ha! dat staat beter" — riep ze vroolijk, —

„dan zulk een grauwe en vuile huid; „Ik kies mij voortaan eiken Zondag

zoo'11 wonderschoone kleeding uit."

En zooals zij besloot, zoo deed ze;

geen Zondag ging er nu voorbij Of ons prinsesje was zoo prachtig,

als moest zij naar een hofpartij.

Maar dat haar geiten en kalkoenen

haar niet zoo zagen speet haar wel;

Sluiten