Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Mijn dieren kennen mij niet anders,"

zoo zei ze, — „dan in 't ezelsvel." — Op zeekren Zondag, toen zij 't kleedje

van zonlicht aangetrokken had,

Kwam op de boerderij eens kijken

de kroonprins uit de groote stad; De hoeve toch was van den koning,

en nu wilde onze prins eens zien Hoe 't er wel uitzag op zoo'n hofsteê,

en onder zulke buitenliên.

De boer was door 't bezoek ten hoogste

vereerd, zooals zich denken laat,

Vooral omdat de prins zoo vriendlijk

en mooi was in zijn rijk gewaad.

Terwijl hij nu door 't woonhuis dwaalde,

en reeds den hof bekeken had.

Kwam hij voorbij een achterdeurtje

en gluurde eens door het sleutelgat; Maar hoe verwonderd was de kroonprins

toen hij daar in dat kamerkijn Een meisjen op een stoel zag zitten,

gekleed in louter zonneschijn!

't Was vol verbazing dat de kroonprins

zijn handen in elkander sloeg,

En op een drafje liep naar 't voorhuis,

en aan den boer nieuwsgierig vroeg: „Wie woont daar, baas! wie woont daar ginder

in 't laatste kamertje in den gang?" — „Wel," — zei de boer, — „daar woont de veemeid,

dat gansje dient hier nog niet lang." — „Dat's Ezelsvel, een slons!" — zoo riepen

de booien. — „Ze is door onze vrouw

„Uit medelij in huis genomen;

ze was bijna verstijfd van kou,

Sluiten