Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„En van gebrek haast omgekomen,

toen onze vrouw het schepsel zag; „Nu hoedt ze hier de varkens, Hoogheid!

en daarvan krijgt ze goed den slag." — „Och," — dacht de kroonprins, — „domme lieden,

je weet er niets van." — En hij reed

Terug naar stad en hof, gedurig

maar denkende aan dat zonnekleed. ,,'k Ga morgen," — sprak hij in zich zeiven, —

„vast weder naar de boerderij ;

,,'k Moet weten wie zoo'n kleed kan dragen,

nog mooier dan satijn of zij."

Maar d'andren dag was de arme kroonprins

zoo ziek, dat hij niet op kon staan;

De koningin, zijn goede moeder,

was met haar zoon dan erg begaan. ,,Mijn beste kind!" — zoo vroeg ze vleiend,

en tranen vloeiden langs haar wang, „Wat kan ik doen om je te helpen?

je ziekte maakt mij, o zoo bang!" — „Och, goede moeder!" — zei de kroonprins, —

,,'k nam poeiers, reeds een twintigtal, „Maar t gaf mij niets ; doch 'k weet wat anders,

dat mij wel gauw genezen zal.

„Laat Ezelsvel een tulband bakken,

dat helpt mij meer dan medicijn;

„Als ik dien eet, mijn lieve moeder!

dan zal ik spoedig beter zijn." „Wie? Ezelsvel? Wie is dat, kindlief?"

zoo vroeg de brave koningin. „Wel, Majesteit!" — sprak toen een dienaar, —

„dat is de veemeid der boerin „Van 's konings hofsteê." - „'t Is hetzelfde;"

sprak de vorstin op zachten toon;

Sluiten