Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ga Ezelsvel 't gebak bestellen,

dat helpt wellicht mijn armen zoon." —

Toen Ezelsvel die vreemde boodschap

ontving, begon zij maar terstond

Een heerlijk deegje te bereiden,

en kneedde een tulband, kogelrond.

Doch onderwijl zij dat verrichtte,

viel van haar pinkje een gouden ring

In 't baksel, zonder dat zij 't merkte,

al schijnt dat ook wat zonderling.

De lekkre tulband werd den kroonprins

nu in een oogwenk tijds gebracht,

En 't was of reeds de geur den zieke

een deel teruggaf van zijn kracht.

Hij at zoo gretig van den tulband,

dat hij den kleinen gouden ring

Haast inslikte. — „O!" — zoo riep hij plotseling,

,,0, zie eens moê!" — De koningin

Keek erg verwonderd, en ze zeide:

„Van wie zou 't ringetje wel zijn?

„Zeer zeker van een lief prinsesje,

want 't is bijzonder klein en fijn." —

„Och," — sprak de zieke, „had ik, moeder!

nu dat prinsesje tot mijn bruid,

,,'k Werd dan op eens zoo sterk als vroeger, —

och, moeder! kijk eens naar haar uit."

Men ging aan 't zoeken; — en nu pasten

wel al de dames uit de stad

Het ringetje, doch geen van allen,

die zulke fijne vingers had.

Wat nu te doen? — „Och, dierbare ouders!"

riep de arme prins vol treurigheid,

„Laat Ezelsvel toch ook eens passen,

zij heeft immers de taart bereid."

Sluiten