Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen sprong de kikvorsch hup, hup, hup, —

en flap! weer 't diepe water in;

En eer de lieve Meimaand kwam,

hield inderdaad de koningin Een aardig dochtertje op haar arm. —

Wat was de koning innig blij! ,,Een prachtig feest moet aangericht;" —

beval de vorst. — „En," — zeide hij, „Het moet een feest niet enkel zijn

voor vrienden en voor bloedverwant,

„Maar voor de dertien feeën ook,

die wonen in mijn wonderland.

„Zij zullen waken dat mijn kind

geen onheil treft, geen ramp of pijn;

„Doch jammer is 't, dat in 't paleis

maar twaalf gouden borden zijn,

„Waarvan zij eten moeten; één

kan dus bij 't feestmaal niet gevraagd;

„Dat spijt mij wel; maar 't is nu zoo!

en dus ook verder niet geklaagd." — Wat was 't een feest, een heerlijk feest!

nooit werd er nog zoo'n feest gevierd:

Een vloed van licht stroomde in het rond; —

de zalen waren rijk versierd

Met bloemen uit de oranjerie,

de tafels bogen van den last

Der schotels, krom, en aan beschuit

met muisjes ging men recht te gast.

En toen het feest ten einde liep,

kwam elk der Tooverfeeën naar

't Prinsesje, dat in 't wiegje lag,

en schonk een kostbre gaaf aan haar. De een gaf haar Schoonheid, de ander Deugd,

de derde Macht, de vierde Schat;

Sluiten