Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En ook verstandig werd ze, en braaf

en door een elk om 't zeerst bemind;

Men kon wel zien dat iedre Fee

haar woord hield aan het lieve kind.

Zoo vlood de snelle tijd en kwam

haar zestiende verjaardag aan; —

De vorst was met zijn gemalin

en tal van dienaars uitgegaan,

En ons prinsesje liep zoo wat

te dwalen door het groot kasteel,

De ruime zalen uit en in,

de een rood beschilderd, de andre geel;

Zij huppelde de gangen door,

de trappen zingende op en neer,

Tot ze eindlijk bij den toren kwam,

heel oud en grauw van wind en weer.

De smalle steenen wenteltrap

klom ze op, en zag aan 't eind een deur

Gemetseld in den torenmuur,

met hier en daar een breede scheur.

„Zou dat de klokkekamer zijn?"

dacht ons prinsesje, en krak! krak! krak!

Zoo ging het toen zij draaide aan 't slot,

waarin een zware sleutel stak.

De deur viel open, en nu zag

't prinsesje een vlieringkamer, waar

Een oude vrouw te spinnen zat.

Haast zilverwit was 't kroezig haar,

Dat uit haar muts te voorschijn kwam;

zij droeg een knijpbril op haar neus;

De leuningstoel waarin zij zat,

geleek den zetel van een reus,

Zoo groot was die, en boven op

den rug miauwde een grijze kat,

Sluiten