Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rn klapte een ekster heel verwaand,

of zij hier 't meest te zeggen had. „Dag, moedertje! — wat doet ge daar?"

vroeg ons prinsesjen aan de vrouw. „Ik spin mijn vlas, mijn mooie kind!"

„Of ik dat ook niet kennen zou? „Dat radje draait zoo aardig rond;"

zei 't meisje, — „laat mij 't ook eens doen?"— „Wel ga je gang maar, beste meid!

hier is de spil en garenkloen." —

Maar wijl 't prinsesje draad en spil

te stevig in haar handjes hiel',

Bezeerde 't arme kind heel erg

haar vingertje aan het spinnewiel, En „o, wat word ik loom en dof!"

sprak ze heel zachtjes; ,,'k geeuw en gaap."

En eensklaps viel zij op het bed,

dat naast haar stond, in diepen slaap.

Zoo was de tooverspreuk vervuld;

de slaap, die ons prinsesje trof,

Verbreidde zich dienzelfden stond

door heel het vorstelijke hof.

De koning en de koningin,

gekeerd weer van hun wandeling,

Die sliepen met hun dienaars in,

juist toen de stoet aan tafel ging.

Een kok, die net zijn jongen maat

bij de ooren pakte, omdat de knaap

Niet opgelet had bij 't gebak,

viel naast zijn kameraad in slaap.

Geen knecht in 't koninklijk paleis

die niet in rust gedompeld was;

Het vuur ging in de keuken uit,

en ieder vonkje doofde in de asch.

Sluiten