Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De paarden sliepen in den stal,

de duiven op het hooge dak;

De wind scheen ook in slaap te zijn,

want roerloos bleven blad en tak.

En om het trotsch kasteel begon

een dorenhaag te groeien, jaar

Aan jaar al hooger, tot men zelfs

noch muur noch ingang werd gewaar.

Maar 't volk van d' omtrek wist toch wel,

dat midden in het donkre woud

Een koninklijk paleis moest zijn;

een boer, van tachtig jaren oud,

Had nog als kind 't kasteel gezien;

en verder liep het praatje rond,

Dat een prinsesje, wonderschoon,

zich daar in diepe rust bevond. —

Er kwam dan ook van tijd tot tijd

wel eens een koningszoon daarheen,

Van plan om naar 't kasteel te gaan;

maar zoo verward, zoo dicht in één

Was 't hoog en steeklig bosch gegroeid,

dat, na zich halverweg een pad

Gebaand te hebben, toch zoo'n prins

gevangen in de struiken zat,

En niet meer her- of derwaarts kon,

en jammerlijk om 't leven kwam,

Zoodat er op het laatst niet een

dien tocht door 't woud meer ondernam.

En Dorenroosje — 't was de naam,

die men 't prinsesje gaf in 't land,

Bleef ongestoord dus in haar slaap,

beschut door dorens te allen kant. —

Na vele jaren echter kwam

er toch bij 't bosch alweer een prins;

Sluiten