Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij hoorde van het vreemd geval,

en aanstonds was hij nu van zins

Om naar het wonderslot te gaan;

wel raadde een sprokkelaar 't hem af, En zei: „Och Prins! zoo menigeen

vond in dit dichte woud zijn graf;" — Maar deze prins was lang niet bang,

en dacht: „met moed begonnen is De helft van 't werk." — De koningszoon

drong stout dus in de wildernis.

't Was toen juist honderd jaar geleên

dat Dorenroosje viel in slaap,

En dat zij weer ontwaken zou;

doch daarvan wist hij niets, de knaap, Hij wrong zich door de takken heen,

en hakte er met zijn dolk op los, Zoo flink en ferm, dat hij welhaast

een oopning had gemaakt in 't bosch.

En toen hij nu al verder kwam,

zag hij slechts mooie bloemen staan, Die lieflijk geurden tusschen 't mos,

zoodat hij makklijk door kon gaan.

Hij liep dus ongehinderd voort,

de laan af naar 't begroeid gebouw, En 't voorplein over van 't kasteel,

waar, diep in rust aan band en touw,

De honden snorkten op het gras.

De jagers sliepen even zwaar;

De paarden, ja de valken zelfs,

de knechts en heeren door elkaar. En — vond de prins dat ook, al vreemd,

toch toefde hij niet op die plek,

Maar trad de poort in van het slot,

waar, om het ijzren afsluithek

22

Sluiten