Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En langs de bogen van arduin,

de klimop wingerde, en den muur

Als met een koelend loof-gordijn

bedekte tegen 't zonnevuur.

De koningszoon kwam eindlijk bij

een eikenhouten trap, en ging Die af; maar wat zijn oog nu zag,

was dan toch meer dan zonderling. Hij zag een zaal. — In 't midden stond

een tafel, nog ten disch gedekt;

Maar al de gasten sliepen vast,

op bank en leunstoel uitgestrekt; De koning sluimerde op zijn troon,

de koningin sliep aan zijn zij;

De kamerheeren van het hof,

ze sloten 't oog. De jufrenrij

Ontwaakte niet, al klonk de tred

van 's Prinsen laars ook hol en zwaar; De bottelier hield wel de kruik —

maar slapende — om te schenken klaar.

De kok lag duttend op den vloer,

en naast hem lag een vleeschpastei;

En met het rechterbeen vooruit

stond domlend ginds een hoflakei.

Ja zelfs de stoere piekenier,

die wacht hield bij de breede trap, Leunde op zijn piek, en bromde niet:

Werda! bij 's prinsen harden stap.

De spinnen hadden overal

haar web gesponnen in de zaal; Zij sliepen niet, maar deden trouw

met de arme vliegen nog haar maal. En champignons van 't grootste soort,

die groeiden overal in 't rond;

Sluiten