Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En schimmelplant en varenkruid

bedekten meubel, muur en grond. Toch liep de prins maar altijd door,

en kwam zoo bij den toren aan, En steeg de trap op. — Bijna was

hij 't vlierinkje voorbij gegaan,

Maar toen hij 't kamertje inkeek zag

de koningszoon het ledikant,

Waarop ons Dorenroosje sliep,

het hoofdje leunende op de hand.

En toen hij zachtkens nadertrad,

viel juist een straal van 't zonnelicht, Op haar gelaat. Wat was ze mooi !

Wel waren nog haar oogjes dicht,

Maar bij dien zoeten zonnekus

sloeg zij haar kijkers langzaam op.

Gelijk een liefelijke roos,

die losbreekt uit den groenen knop. En vriendlijk keek zij naar den prins; —

En hij, een echte schalk, een guit, Nam haar al lachend bij de hand,

en ging met haar het kamertje uit. En naar beneden, waar ook 't hof

ontwaakt was 't eigen oogenblik,

Dat ons prinsesje wakker werd.

De vliegen hadden 't meeste schik,

Want spinnerag en spinneweb,

die werden 't eerste weggevaagd,

Met stoffer, doek en ragebol,

door kamervrouw en kamermaagd.

De jagers rekten de armen uit;

de honden blaften als altijd, En klapprend vloog van 't hooge dak

de duivenvlucht naar wijd en zijd.

Sluiten