Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

26. Gondellied.

C. M. v. Weber.

1. Hoe zacht glijdt ons boot - - jen op 'tspie - - ge - lend

2. Bij wind - ge - suis stree - - lend als 'tvo - - ge - len-

3. Maar nim - - mer was vreug - - de be - sten - - dig van

4. Ge - reefd nu de zei - - len, den ste - - ven ge-

meer , — — noe uan - sen ue gou - - ]es uij i uuuru up eu

lied, Zoo drij - ven wij voor - waarts; 'tzingt toe ons: „Ge-

duur , Reeds don - kert des he - mels rein glan - zend a-

wend! Naar d'oe - ver! daar wacht ons de gast - vrij - e

neer! Het wind - - je, zoo dar - - tel, het suist er zoo

niet!" Geen stor - - men, geen vla - - gen, geen drei - - gen - de

zuur! De wind — gaart zijn krach - ten, wijl 'tbrui - - sen - de

tent; Daar rus - - ten we vei - - lig, hoe 'ton - - weer ook

blij; Het noodt — ons tot zin - - gen, ja komt, — zin - gen wij!

zee, Niets stoort — on - ze vreug - - de, of spelt — er ons wee.

nat, Aan - groei - - end tot ba - - ren, de zei - - len be - spat.

woed'; Daar - heen — nu ge - keerd, — en ter rus - - te ge-spoed!

Sluiten