Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE DWAALLICHTJES.

Weet je wat Benno zag aan den rand van den vijver, waar hij zonder het te weten was heengedwaald? Hij zag er vogeltjes in de wilgenboomen, en vlinders met blauwe glazige vleugeltjes en vischjes tusschen het riet. En de wolken spiegelden in het water zóó prachtig, dat hij er zijn oogen niet af houden kon! Den heelen middag bleef hij daar aan den oever ronddwalen; — en toen het donker begon te worden, o, toen werd het nog véél mooier: want toen kwamen er blauwe vlammetjes uit het water, tusschen de rietpluimen; en die vlammetjes sprongen en dansten hoe langer hoe dichter naar hem toe, totdat hij zag dat het kindertjes waren die elk een lichtje droegen op hun blonde hoofdjes. Dat zijn de Dwaallichtjes, zie je, - die lokken de menschen des avonds mee, hoe langer hoe verder van huis. Ze wenken met het wijs-vingertje alsof ze zeggen willen: „Kom toch, kom toch!..." En Benno die vond ze zóó mooi, dat hij riep: „Dans toch niet zoo vlug, lieve lichtjes, want „dan kan ik je heelemaal niet bij-houden!" Hij vergat Marietje en kleine Zus, en liep de Dwaallichtjes achterna, ver, ver het bosch in, waar het pikdonker was omdat daar de maan niet door de dichte bladeren heen kon schijnen.

Sluiten