Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOE HET EGELTJE BENNO WIST TE VINDEN.

„Hoor! hoor!" zei een kaboutertje, „daar huilt iemand „in het bosch." Toen kwamen er twee anderen ook uit hun hol, onder den wortel van een grooten boom, met hun lantarentjes bij zich, en een van hen zei: „Ja, als ik „goed luister, geloof ik dat het een jongetje wezen moet".

— „Het is niet ver ook," zei de derde, „achter het heuveltje moet het wezen, onder de hooge beuke-boomen..." En de voorste was al op weg gegaan, om het huilende jongetje te zoeken; met zijn heldere lampje ging hij door het donkere bosch, en een egeltje, dat onder een struik vandaan kwam om te kijken, zei: „Wat een licht, wat „een licht! ik dacht dat het al dag werd, zooveel licht!"

— „Weineen," zei het kaboutertje, „ik ben het; maar „vriend egel, kan jij me niet zeggen waar die kleine jongen „zit, dien we hier hooren huilen?" „Welzeker," zei het egeltje, „kom maar mee; zooeven is hij hier langs gekomen; „ik hoorde hem, maar ik kon hem niet zien zoo donker „was het; — wat doet zoo'n klein mensch-mannetje ook ,,'s nachts alleen in het bosch! Hij is zeker verdwaald..." „Dat dacht fk ook," antwoordde de kabouter, „en daarom „wou ik hem den weg naar huis wijzen." Toen bracht het egeltje hem bij een grooten beuke-boom; en wie zat daar, huilende en alleen?

Benno was het. De verdwaalde Benno.

Sluiten