Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MOSBAARD WIJST DEN WEG.

„Beste jongen," zei de kabouter, „huil nu niet meer „zoo erg, maar vertel mij liever eens hoe je heet en waar „je woont." En Benno snikte nog wat en antwoordde tusschen zijn snikken door, dat hij in het roode huis achter de molen van het dorp woonde en dat hij Benno heette. „O-jee," zei de kabouter, wat een eind weg! „Je hebt zeker achter een Dwaallichtje geloopen dat je „zoo ver van huis bent geraakt. Dat zou je nooit alleen „terug vinden, Benno! Maar ga maar met mij mee, ik ben „het oudste kaboutertje van het bosch, en Mosbaard heet „ik; o, ik heb van mijn leven al wel meer dan honderd „verdwaalde menschen terecht gebracht!" Nu, je kunt begrijpen hoe blij Benno was, dat hij den weg naar huis weer vinden zou; hij vertelde aan Mosbaard van Marietje en kleine Zus, en hoe hij bij den vijver de Dwaallichtjes had gezien; die was hij na-geloopen, tot ze opeens weg waren en hem alleen achterlieten in het pikdonkere bosch. Van vermoeidheid kon hij niet verder meer, en toen was hij onder een boom gaan zitten huilen, omdat hij dacht dat hij nooit meer thuis komen zou. Maar nu was hij gerust, en liep haastig met den kabouter mee.

„Pas op," zei Mosbaard plotseling, en trok Benno achter een boom, „hou je even doodstil, want daar gaat „een groote vos! — Zie je 'm? — wees maar niet bang „— want nu is hij al voorbij!"

Sluiten