Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN WIE DE KABOUTERS DE VRINDJES ZIJN.

Benno kwam juist langs het fazante-nest, toen de groote wilde kat wegsprong van schrik voor de speer die een kaboutertje naar hem gemikt had. „Hu!" dacht Benno, „wat ben ik blij dat ik niet alleen meer ben in „dit donkere bosch, waar zulke wilde dieren in rondlopen. Maar met Mosbaard ben ik niet bang, die zal „mij wel veilig thuis brengen." „Goeie-nacht Mosbaard," hoorde hij den fazant zeggen, „een van je kabouterbroertjes heeft mij en mijn wijfje zooeven van een leelijke „groote kat gered; als jullie niet zoo goed de wacht „hielden, waren alle vogels in het bosch al lang opgegeten." — „Slaap maar weer in, vriend fazant," zei de kabouter, „ik heb vannacht geen tijd lang te praten en „moet haastig verder. Wel te rusten." — „Goeie reis," zei de fazant, en zijn wijfje riep ook nog eens: „Goeie reis „Mosbaard." — „Zie je," zei Mosbaard tot Benno, „wij „kabouters zijn de vrienden van alle diertjes die zwak „zijn en zichzelf niet verdedigen kunnen. Zoo heb ik nog „gisterennacht, met een paar makkers van me, een eekhorentje gered, dat door een marter werd nagezeten „op den tak van een denneboom."

Sluiten