Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WAT MOSBAARD VAN DE KONIJNTJES VERTELDE.

O, Mosbaard vertelde Benno veel van de dieren die in het bosch leven en vijanden van elkander zijn; — van de groote die op roof uitgaan, en van de kleine, zwakke, die altijd vluchten moeten. Zoo leek voor Benno de tijd kort bij die verhaaltjes; dat begreep Mosbaard wel. Zij moesten nog een langen weg door het bosch eer zij aan het dorp zouden zijn, en al luisterend naar de vertellingen van Mosbaard vergat Benno heelemaal zijn vermoeidheid. „De konijntjes," zei de kabouter, „die „hebben het ook hard te verduren, want die hebben niets „om zich te verdedigen tegen de roofdieren, geen horens „en geen klauwen of slagtanden. Daarom zijn ze altijd „zoo bang! En ze zijn zulke aardige zachte beestjes; ,,'s nachts als de maan schijnt, komen ze op de open „plekjes in het bosch met elkaar spelen. O, wat een „grappig gezicht: ze dansen en huppelen elkander na, en „zitten op hun achterste pootjes met hun lange ooren in de „lucht. Maar als er dan een wolf loert achter de struiken „met zijn roode tong en zijn oogen die net glimmen als „vuurkooltjes, — nu, dan moeten de kabouters er bij zijn, „hoor, anders bleef er niet één over van de arme konijntjes! „Maar wij waarschuwen ze: de Wolf! de Wolf! — en „dan springen ze weg, zoo hard ze maar kunnen. Zoo „hard als geen jongetje loopen kan!"

Sluiten