Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE SLANG EN HET VELDMUISJE.

Benno begon hoe langer hoe meer van de kaboutertjes te houden, nu hij hoorde dat zij de vriendjes waren van kinderen en dieren. Juist wilde Mosbaard hem een liedje voorzeggen dat kleine vogeltjes 's avonds zingen, en waarmee zij de kabouters roepen als ze bang zijn voor de groote nachtuilen, -- toen hij een slang zag die onder de bladeren te voorschijn kronkelde, op een open plek in het bosch, zoodat de maan juist op hem scheen. „Blijf „hier staan," zei Mosbaard tot Benno, die wel had willen wegloopen, want hij zag de oogen van het gevaarlijke beest glinsteren in het maanlicht. En waarop loerde de slang? Op een veldmuisje dat ginds onder een boomwortel vandaan was gekomen. „Waarom loopt het niet weg?" vroeg Benno. „Dat kan het niet," zei Mosbaard, „het is nu van „schrik en angst zoo verstijfd, dat het zich niet meer „bewegen kan; en dat weet de slang wel, daarom haast „hij zich niet maar schuift er langzaam naar toe, om het „arme muisje in één hap te verslinden..." Maar nu legde Mosbaard zijn boog aan, en schoot een pijl vlak over den kop van de slang heen. Het beest verschrok en kronkelde in een oogenblik weg tusschen de ritselende bladers; het veldmuisje kwam verwonderd tot zich zelf, en kon niet begrijpen wat er gebeurd was. „Piep!" zei het — en sprong in zijn holletje.

Sluiten