Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET VOGEL-LIEDJE.

„Hè, gelukkig!" riep Benno, toen hij zag dat het kleine veldmuisje veilig zijn holletje ingewipt was. „Wat „zou het verschrikkelijk geweest zijn als de slang het „eens gepakt had met zijn grooten bek!" — En hij dacht: „Waren we het bosch maar uit!" — want hij was nu ieder oogenblik bang dat er weer een slang of een wolf achter een donkeren boom vandaan zou komen. „Laat ons maar hard doorloopen, Mosbaard," zei Benno. „Goed," antwoordde Mosbaard, „maar onderwijl zal ik „je het vogel-liedje leeren dat ik je beloofd heb." En toen begon Mosbaard het vogel-liedje op te zeggen. Benno luisterde goed; en hij vond het zóó aardig, dat hij al gauw de heele slang was vergeten. En wil je nu weten hoe het was? Hoor dan:

Tureluur — wiedewiet — tureluur — wiedewiet —

Daar wonen in 't bosch twee uilen;

Zeg eens, Kaboutertje, is het niet,

Zeg, is het niet om te huilen?

Wiedewiet — kwinkwink — wiedewiet — kwinkwink — Hun oogen zijn net als vuren!

Wat is nu een mereltje of een vink Bij zulke groote buren?

Hun vlerken suizen door den nacht,

Hun bek is een vreeselijk wapen!

Hoor eens, Kaboutertje, blijf jij op wacht,

Dan kan ik veilig slapen;

Tureluremeluur — kwinkewinkeldewiet —

Want tegen jou, zie je, durven ze niet!

Sluiten