Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MORGENSTOND.

Benno zag al gauw dat het was zooals de nachtegaal aan Mosbaard had verteld in zijn liedje; het werd langzamerhand lichter in het bosch; veel duidelijker dan zooeven kon hij het water van het beekje zien en door de bladeren van de boomen heen zag hij al wat blauw van de lucht. Opeens schitterde het watervalletje van de beek, helder en blinkend als zilver, en de droppeltjes die er van opspatten leken wel vuur-vonkjes. En nergens was het donker meer tusschen de boomen. Daar kwam een bosch-eifje aangereden op een hert, met een prachtig, groot gewei, en het elfje stuurde het gehoorzame dier met een teugel die van bloemstengeltjes gevlochten was met veel roode bloempjes er aan. „Goede morgen, „Mosbaard," riep het Elfje, „de zon is opgekomen, de „nacht is om." En toen mocht het hert van het heldere beèkwater drinken. Benno vond dat zoo'n Elfje veel op een Dwaallichtje leek, maar Mosbaard zei: „Dwaallichtjes „en Elfjes wonen allebei in het bosch, en de Dwaallichtjes „zijn net als stoute kinderen; ze willen altijd kwaad doen „eri daarom lokken ze de menschen ver van den weg „af, tot ze verdwalen. Maar de Elfjes zijn zoo niet; die „zorgen voor de planten en bloemen; 's morgens sprenkelen zij er dauwdruppeltjes op en 's middags draaien „zij ieder bloemkelkje naar de zon, dat het licht en warmte „hebben zal."

Sluiten