Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIJ

P. 5.

een beslissing van voluntaire jurisdiktie gezag van gewijsde heeft; Suyling, Inl. I, 2, 2e dr. p. 302—304 (anders dan le dr. p. 399); Meijers in W. P. N. R. 2408 in verband met diens noot in W. 9425 op H. R. 15 Nov. 1912. Ygl. hierna bij lnl. p. 20 no. 13 en bij p. 451—452.

P. 5, no. 2: al." 2 i. f.— Toevoeging: in verband met XVI no. 17.

P. 6, reg. 2—3 v. b. — Art. 380 B. W. is sedert gewijzigd: art. 5 wet 5 Juli 1921 Stbl. 835.

P. 6, no. 4 i. f. In plaats van „B § 2", enz., lees: H. no. 3 (verwijzing naar R. Mag. 1921 p. 375—377.

P. 6, no. 5 i. f. — Toevoeging: Hamaker in R. Mag. 1909 p. 56—57 jis p. 54—55 en 257; Meijers in W. P. N. R. 2407. Anders dan Hamaker in Duitschland, Wach, (Inl. p. 2 geciteerd) p. 57 v. b. ja p. 89 v. b. Vgl. Hellwig, System (boven bij Inl. p. 5no. 1 geciteerd) p. 41 v. o. (36); Balog (boven bij Inl. p. 1 geciteerd) p. 133—134, 168; Weyr, boven bij Inl. p. 5 no. 1 geciteerd.

P. 6, na no. 6. — Toevoeging: Ygl. nog Hof's-Gravenhage 1 Mei 1916 W. 10022 over het presidiaal verlof voor beslag, als zijnde geen (eigenlijke) rechtspraak.

Bij Hoofdstuk III (De rechterlijke competentie steunt op cle wet).

P. 7, no. 1 i. f. — Toevoeging: aangaande de jurisdiktie van den Nederlandschen rechter zie op art. 1 R. O. onder K; aangaande de bevoegdheid van den Voorzitter der Rechtbank vgl. Hof Amsterdam 11 Okt. 1912 W. 9441 (ad I i. f.).

Het in no. 1 over de competentie gezegde geldt niet mede voor hetgeen noodzakelijk is ter juiste vervulling der taak van den competenten rechter; zie b.v. H. R. 14 Mei 1928 W. 11840, N. J. 1928 p. 1680 (contra O. M.), nader te vermelden bij art. 99 R. O., F no. 5.

1 A. In het geval van een noodtoestand, zooals bij vrijheidsberooving door gijzeling tengevolge eener vergissing der Rechtbank, waarvan zeker is aan te nemen dat de hoogere rechter

Sluiten