Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jölj

P. 7.

haar als vergissing zou aanmerken, is de Voorzitter der Rechtbank bevoegd in kort geding hierin te voorzien, al verleent geen wetsbepaling hem die bevoegdheid.

Pres. Rb. Arasterdam 11 Maart 1926 W. 11510.

P. 7, no. 3, al. 1. — Na „beginsel" in te voegen: (waaromtrent echter ook het boven bij no. 1 naar aanleiding van het arr. H. R. van 14 Mei 1928 gezegde is in het oog te houden).

\

P. 7, no. 3, al. 3. —Toevoeging: anders implicite o. a. Hof 's-Hertogenbosch 19 Juni 1915 W. 9811, welk arrest tevens aannam dat de beschikking der Rechtbank, die de benoeming van deskundigen weigerde, ingevolge de overeenkomst van partijen appellabel was.

P. 8, reg. 13 v. o. — Als Rb. Haarlem 20 Jan. 1885 ook Rb. Rotterdam 2 Mei 1927 W. 11985 (met beroep op artt. 1067 en 1173 B. W.). Daarbij vgl. Prak in W. 11999 p. 4, W. 12005 p. 8, '12017 p. 4, 12041 p. 8.

P. 8, reg. 7 v. o. — Na „art. 43" in te voegen: no. 9.

Bij de op p. 8 v. o. vermelde jurisprudentie vgl. Rb. 's-Gravenhage 2 Maart 1909 W. 9038: is er geen rechtsgeschil aanhangig, zoodat artt. 620 vv. Rv. niet toepasselijk zijn, dan kan de rechter op eenparig verzoek van partijen scheidslieden benoemen, maar niet als één der partijen zich daartegen verzet. In laatstbedoelden zin bij aanwezigheid van een rechtsgeschil, Ktg. 's-Gravenhage 26 Juli 1927 W. 11761 (met noot W. N., die nog wijst op H. R. 16 Dec. 1921 W. 10867, N. J. 1922 p. 215, welk arrest echter een beding van benoeming door een buitenlandschen consul betrof). Dit vonnis van 1927 ontkende implicite de geldigheid van het Inl. p. 8 v. o. bedoelde beding tot benoeming door den Heer Kantonrechter, d. w. z. q.q.

P. 9, no. 3 i. f. — Toevoeging: vgl. nog diss. Zuidema (p. 4 geciteerd) p. 69—70; T. Sybenga, De Grondwet van 1887, 6e dr. (1921) p. 319—320.

Sluiten