Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 10.

P. 10, no. 7, reg. 9 i. f. in te voegen: Buys, De Grw. II p. 349, 733, III p. 243; Arutzenius in Bijdr. St.-best. 20 p. 328—329;diss.

G. v. d. Meulen (Inl. p. 349 noot geciteerd) p. 20 noot 1;

H. (Vos) in W. v. G. 7 p. 193—194.

P. 10, reg. 10 v. o. Bij „verklaard" een noot: Vgl. ook Rb. Sneek

5 Dec. 1849 R. B. 1852 p. 1.

P. 11, no. 8 i. f. In plaats van „8", lees: 2 (verwijzing naar Themis 1920, alwaar zie p. 195 noot i. f.

Bij Hoofdstuk IV (Geen adviezen).

P. 11, no. 1. — Toevoeging: H. R. 17 April 1914 W. 9685, N. J. 1914 p. 725, W. P. N. R. 2328: de taak van den rechter is niet aan partijen inlichtingen te verschaffen. In dien geest ook H. R. 6 Dec. 1918 W. 10372, N. J. 1919 p. 137, de cassatie verwerpend tegen Rb. Rotterdam 17 Juni 1918 N. J. 1919 p. 141, W. P. N. R. 2563 (bij deze procedure vgl. Inl. p. 12 v. b.). Zie nog de kritiek van Faure, Proc.r. I, 3e dr. p. 448 op Ktg. III Amsterdam 21 Maart 1889 W. 5704, welk vonnis op verzoek van partijen zich had uitgelaten over de vraag, of zeker beding wettig was. — Iets anders is het. als de rechter (de Kantonrechter) partijen raadt de zaak te schikken; vgl. Prak in W. 11937 p. 7—8. "Wel zou men van oordeel kunnen zijn dat ook dit niet op 's rechters weg ligt, maar er behoeft geen vingerwijzing in te liggen omtrent zijn rechtsopvatting en het kan praktisch wenschelijk zijn.

P. 11, no. 3. — Vgl., behalve het bij no. 1 vermelde arr. H. R. van 1918, Hof Amsterdam 18 Maart 1927 W. 11651, op dit punt als het vonnis a quo, Rb. Utrecht 4 Febr. 1925 W. 11420. Verder vgl. Rb. Amsterdam 12 Nov. 1928 W. 11931, N. J. 1929 p. 26.

P. 11, reg. 2 v. o. — p. 12 reg. 1 v. b. Gaupp-Stein, zie Stein-Jonas, 12e dr. I p. 637 al. 1. Toevoeging: de lege ferenda vgl. R(ibbius) in W. 12050 p. 1.

Sluiten